Uitgeverij Mouria
   
   
 
 
 

Vier
Emotionele opvoeding
1988-1992

Ik zal met mezelf beginnen. Een jaar voordat Oscar viel liep ik zelf averij op. Ik werd besprongen toen ik naar huis liep van de Roxy, door een groepje hangnegers ergens op een hoek van Joyce Kilmer Avenue. Het was twee uur ’s nachts en ik liep er in mijn eentje. In een stad als New Brunswick is dat niet goochem, maar ik was stoer. Iemand als ik hoefde niet over te steken omdat er een stel morenos op een hoek stond. Daar kon ik best doorheen.

Niet dus. De glimlach van die ene gozer zal me mijn leven lang bijblijven, en het litteken op mijn wang zorgt er wel voor dat ik zijn ring ook niet meer vergeet. Ik zou hier graag schrijven dat ik zelf ook uitdeelde, maar ik incasseerde alleen maar, en als er geen auto met een Dappere Samaritaan was gestopt, hadden die teringlijers me waarschijnlijk doodgeslagen. Mijn redder wilde me naar Robert Wood Johnson brengen, maar daar wilde ik niks van weten. Ik was niet verzekerd, en na de dood van mijn broer (leukemie) had ik het ook niet meer zo op dokters en ziekenhuizen. Trouwens, voor iemand die zojuist lens was geslagen, voelde ik me eigenlijk behoorlijk goed.

Maar dat was de volgende ochtend anders. Ik was zo duizelig dat ik me niet op kon richten zonder te kotsen. Mijn ingewanden voelden alsof ze uit mijn lijf waren gerukt, met hamers waren platgeslagen en weer terug waren geplaatst met paperclips. Het ging niet best met me, en al mijn geweldige vrienden lieten me barsten. Behalve Lola. Toen zij van mijn maatje Melvin hoorde dat ik in elkaar was geslagen, kwam ze als een speer naar me toe. Ik was nog nooit zo blij geweest met bezoek. Lola, met haar grote onschuldige tanden. Lola, die moest huilen toen ze zag hoe ik eraan toe was.

Het was Lola die zich over me ontfermde. Die voor me kookte, schoonmaakte, mijn collegestof ophaalde, medicijnen voor me kocht, die me zelfs onder de douche zette. Het was Lola die me weer een beetje mijn ballen teruggaf, en er zijn niet zo gek veel vrouwen die dat voor je kunnen doen, geloof me. Ik kon nauwelijks rechtop staan van de pijn, maar zij zette me onder de douche en waste mijn rug. Dat staat me nog het helderst bij van die kloteweken: haar hand op die spons, en die spons op mij. Ik had een ‘vaste vriendin’ maar het was Lola die de nachten bij me doorbracht. Die haar sluike haar uitborstelde (een, twee, drie) voor ze haar lange lijf naast me onder de deken liet glijden. Geen nachtwandelingen meer, oké, Kung Fu?

Je studietijd hoort een periode te zijn waarin je zomaar wat rondklooit en nergens echt bij stilstaat. Maar bij Lola stond ik stil. Ze was iemand aan wie je niet zo snel voorbijging. Qua uiterlijk was ze zo ongeveer het omgekeerde van de chicks waar ik doorgaans op viel. Ruim één tachtig, nauwelijks tetas en donkerder dan de puurste chocola. Maar wel een paar heupen om van te dromen, en een kont om van te kwijlen. En wat ze vooral had was geldingsdrang. Voorzitster van haar sorority, voorzitster van SALSA, vice-voorzitster van Take Back the Night. Ze sprak perfect, bijna kakkineus Spaans.
We kenden elkaar al vanaf de introductieweken, maar hadden pas iets met elkaar gekregen in ons tweede jaar, toen haar moeder weer ziek werd. Rij me naar huis, Yunior, zei ze op een dag. En een week later kwam het ervan. Ik weet nog precies wat ze aanhad: een Douglass-joggingbroek en een Tribe t-shirt. Ze deed de ring af die haar vriendje haar gegeven had en zoende me, diep, maar zonder haar donkere ogen van me af te nemen.

Je hebt goeie lippen, zei ze.
Hoe kun je zo’n meid ooit vergeten?
Na drie avonden kreeg ze wroeging om dat vriendje en zette er een streep onder. En als Lola ergens een streep onder zet, dan zet ze een streep. Zelfs in die nachten na mijn pak slaag kon ik het schudden.
Wacht nou even, je komt bij me in bed liggen, maar ik mag nergens aankomen?
Yo soy prieta, Yuni, zei ze, pero no soy bruta.
Ze wist precies wat voor sucio ik was. Twee dagen na onze breuk had ze me een meisje van haar sorority zien versieren. Ze had me wekenlang geen blik meer waardig gekeurd.

Maar toen haar broer aan het eind van zijn tweede jaar die depressie kreeg en zichzelf bijna het graf in somberde, en zijn zieke moeder ook, wie liet zich toen van zijn goeie kant zien?
Precies, ondergetekende.

Lola viel zowat om van verbazing toen ik zei dat ik het volgende jaar wel zijn kamer in Demarest Hall met hem zou delen. Ik hou die eikel wel voor je in de gaten. Nadat hij bewusteloos was gevonden (hij had twee flessen 151 leeggedronken omdat een of andere huppelkut iets naars had gezegd) wilde niemand meer zijn kamergenoot zijn, dus het zag ernaar uit dat hij in zijn derde jaar helemaal alleen zou zijn. Hij moest het zelfs zonder Lola stellen, die voor een jaar in Spanje ging studeren, dus ze zat vreselijk over hem in. Ze kon haar oren niet geloven toen ik zei dat ik dan wel bij hem introk. En ze kon haar ogen niet geloven toen ik het nog deed ook! In Demarest nog wel, de Special Interest Residence Hall voor creatieve en sociaal-bewuste studenten, ofwel de weirdo’s, losers en freaks van Rutgers University. Ik, die 170 kilo kon drukken. Ik, die Demarest altijd Homo Hall had genoemd. Ik, op wie artistiekelingen het effect van een rode lap op een stier hadden. Het leek mezelf ook ondenkbaar, maar ik deed het wel. Ik meldde me aan voor de schrijversafdeling, en toen het september werd waren we samen. Oscar en ik.

Ik doe graag alsof het pure menslievendheid van me was, maar dat is niet helemaal waar. Zeker, ik wilde Lola een dienst bewijzen door haar idiote broer in de gaten te houden, want ik wist dat hij de enige was van wie ze werkelijk hield. Maar ik bewees mezelf er ook een dienst mee. Een paar maanden eerder had ik zo ongeveer het laagste nummer uit de geschiedenis van de kamerverloting getrokken. Ik was vrijwel kansloos voor onderdak op de campus, en geld had ik niet, dus moest ik weer thuis gaan wonen of ergens onder een brug gaan slapen. Dat maakte van Demarest, met al zijn mafkezen, sukkels en… Oscar, nog niet eens zo’n slecht alternatief.

En hij was natuurlijk ook geen vreemde voor me. Hij hoorde bij Lola. Ik had hem vaak met haar over de campus zien lopen – altijd weer verbijsterd door de gedachte dat die twee broer en zus waren. (Ik Apokalips, zij New Genesis, zei hij lachend.) Zelf zou ik me hebben kapotgeschaamd voor zo’n broer, maar Lola was gek op hem. Ze nodigde hem uit voor al haar feestjes en protestbijeenkomsten. Stond-ie met een bord in zijn handen, liep-ie flyers uit te delen. Haar dikke onderknuppel.

Als ik zou zeggen dat ik nog nooit zo’n Dominicaan als hij had meegemaakt, zou ik me heel mild uitdrukken.

Wees welkom, Hond van God, zei hij me toen ik met mijn spullen de kamer binnenkwam.
Ik deed er een week over om te bedenken wat dat te betekenen had.
Van God – Domini. Hond - Canis.
Wees welkom, Dominicanis.

Het is achterafgepraat, maar ik had kunnen weten waar ik aan begon. Hij had het er altijd maar over dat er een vloek op hem rustte, en als ik ook maar iets van mijn eigen afkomst had geweten, zou ik (a) naar hem geluisterd hebben en (b) met een noodvaart de benen hebben genomen. Ik kom uit een familie van sureños, uit Azua, en als sureños uit Azua ergens verstand van hebben, dan is het van vloeken en onheil en het noodlot; en als je ooit in Azua bent geweest, dan weet je waarom. Hij had het mijn moeder maar één keer hoeven zeggen en ze was pleite geweest. Mijn moeder nam geen risico met fukús en guanguas en dat soort shit. En ik weet nu ook wat dat inhoudt, maar toen nog niet. Ik was nog simpel en ging ervan uit dat het een eitje zou zijn om op iemand als Oscar te passen. Ik was een krachtsporter, weet je. Ik kon meer tillen dan hij woog.
Wist ik veel.

Hij mocht dan neerslachtig zijn, maar hij leek me nog steeds de Oscar die ik al een paar jaar kende. Nog steeds dik, en nog steeds wereldvreemd. Schreef nog steeds tien, vijftien pagina’s per dag. Was nog steeds dol op sf&f. Toen ik op een dag met Melvin naar de kamer liep, zag ik dat die lijp een bordje op onze deur had gehangen. En wat denk je dat erop stond? SPREEK, VRIEND, EN TREED BINNEN. In het Elfs van Tolkien! (En nee, ik ga je niet vertellen hoe ik dat wist.)

Ik zei: Wat krijgen we nou, De León, een bordje in het fucking Elfs?
Hij schraapte zijn keel. Sindarijns, om precies te zijn.
Melvin lag in een deuk. Homo, om precies te zijn!
Ondanks mijn belofte om een oogje in het zeil te houden, bemoeide ik me die eerste paar weken nauwelijks met hem. Ik was bezig, weet je. Ik had mijn baantje, het krachthonk, mijn novia, de sletjes daaromheen. Ik had het druk.
Als ik de kamer binnenkwam, was hij vaak al een slapende vleesmassa onder zijn dekbed. Het enige waar hij voor opbleef waren zijn rollenspelen en zijn anime-video’s, en dan vooral Akira, een film die hij dat jaar wel duizend keer gezien moet hebben. Kwam ik binnen en zat hij weer voor de tv. Zit je nou alweer naar die shit te kijken? En hij, verontschuldigend: Hij is bijna af. En ik: Hij is altijd bijna af. Maar het stoorde me niet echt, ik vond Akira zelf ook wel goed, al was het niet iets om voor thuis te blijven. Lag ik even later op mijn bed en doezelde weg bij het geschreeuw van Kaneda, en schrok weer wakker van Oscar die zich aarzelend over me heen boog. Yunior, de film is finis. En ik: Fuck man, laat me slapen!

Al met al was hij best een schappelijke kamergenoot. Ik kreeg nooit stomme briefjes met klachten of gekanker, hij betaalde keurig voor zijn helft van alles, en als ik binnenkwam tijdens een van zijn Dungeons & Dragons-sessies, verhuisde hij met de hele handel naar de lounge zonder dat ik het hoefde te vragen. En zoals gezegd, Akira nam ik op de koop toe. (Maar Queen of the Demonweb Pits niet.)

Ik maakte zelf natuurlijk ook gebaren van goede wil. Kookte eenmaal per week. Pakte af en toe een van zijn manuscripten op (hij had er intussen vijf geschreven) en probeerde erin te lezen. Het was niet mijn ding (Laat vallen die phaser, Arthurus Prime!) maar ik kon wel zien dat hij aanleg had. Hij kon dialogen schrijven, wist zijn personages smoel te geven, hield de vaart in het verhaal. Ik liet hem op mijn beurt ook mijn eigen fictie zien, een en al overvallen en drugdeals en Fuck you, Nando! en PANG! PANG! PANG! PANG! Op verhaaltjes van acht pagina’s kreeg ik commentaren van vier pagina’s.
Hielp ik hem op vrouwengebied? Stelde ik mijn ervaring tot zijn beschikking?
Dat probeerde ik echt, geloof me. Maar wat de mujeres betrof, was O een hopeloos geval. De enige die hem in hopeloosheid benaderde was Jeffrey, een Salvadoraanse jongen die ik op de high school had gekend, die een totaal verbrand gezicht had en evenveel kans op een meisje maakte als het Spook van de Opera. Maar Jeffrey kon zijn kansloosheid tenminste aan een ongeval toeschrijven. Die luxe had Oscar niet. Wat kon hij zeggen? Dat het de schuld van Sauron was? Kom op, zeg. Hij woog 153 kilo! Hij praatte als een Star Trek-computer! En de ironie was: ik had nog nooit iemand meegemaakt die zo de No Pussy Blues had als hij, die zo naar een meisje snakte. Ik was dol op vrouwen, maar Oscar was er bezeten van. Voor hem waren ze het begin en het einde, Alfa en Omega, DC en Marvel. Hij leed er gewoon onder, kon geen chick voorbij zien komen of het zweet brak hem uit. Werd zomaar verliefd, aan de lopende band en zonder enige aanleiding. Alleen al in dat eerste semester was hij een keer of twintig totaal hoteldebotel. En het leidde natuurlijk tot niets, alleen al omdat zijn babbel beperkt bleef tot geleuter over rollenspelen. (Ik zal nooit die keer in de universiteitsbus vergeten – O gaat tegenover een bloedmooie morena zitten en zegt: Als jij in mijn spel fungeerde, kreeg je een Charisma-level achttien van me!)

Ik probeerde hem te coachen, deed echt mijn best. Simpele aanwijzingen als: begin niet zomaar tegen meisjes te kakelen die je nooit eerder hebt gezien, en raak je eens met iemand in gesprek, begin dan niet gelijk over Beyonder. Maar luisterde hij? Vergeet het maar. Oscar iets bijbrengen over meisjes was als stenen gooien naar Unus de Onkwetsbare. Hij had een ondoordringbaar krachtenveld om zich heen. Hij hoorde me aan, haalde zijn schouders op en zei: Welgemeende adviezen, m’n beste, maar mij zullen ze nooit baten, dus ik kan net zo goed mezelf zijn.

Maar jezelf is kut!
Dat moet ik helaas onderschrijven, maar ik ben nu eenmaal wie ik ben.
Of wat dacht je van dit gesprekje:
Yunior?
Wat?
Ben je nog wakker?
Ik waarschuw je, O, als het over Star Trek gaat…
Het gaat niet over Star Trek. Hij schraapte zijn keel. Ik heb me laten vertellen dat geen Dominicaan ooit als maagd is gestorven. Jij bent ervaren ter zake. Hecht jij geloof aan die stelling?
Ik richtte me op en zag hem in het halfdonker naar me kijken. Bloedserieus.
Ja, een dominicano moet minstens één keer geneukt hebben, da’s een kosmische wet.

Welnu, zei hij met een zucht, dat baart mij dan grote zorgen.

 
 
 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 
 
 
Bindwijze: Paperback
Omvang: 336 p.
Prijs: € 19,90
ISBN: 9789045800080
Vertaling: Peter Abelsen
Bestellen: Bol.com
Uitgeverij: Mouria
 
 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 
 
 
 
   
   
Webdesign: Xntriq.nl